De liefde vergaat nooit. (kor. 13:8)
Goeree, zaterdag 27 juni 1598
Hoe kwam het dat ‘De Liefde’ een rol speelde in de start van de Gouden Eeuw voor Nederland? Wat gebeurde er aan de kade in Goeree bij het vertrek van de vijf schepen die voor jarenlang zouden vertrekken? Scheen de zon of was er alleen voldoende wind? Wat was er aan boord? Welzeker een bijbel, inclusief een geestelijke en een chirurgijn. Een schip in die tijd was een dorp op zich. Logisch, want het duurde nogal lang voor je ergens kwam en dus moest je overal aan denken. Dat is toch heel wat anders dan je koffer pakken voor een vakantie. Mannen, kinderen, dieren, drinkwater, wijn en potspijs (gekookt eten) en grutten waren ook daarbij. De nodige munitie, kanonnen en geweren, kaarten waarvan je moest hopen dat het ongeveer klopte en heel veel geheimen waren er aan boord. Vijf schepen voeren er uit die 27e juni 1598, weg van de godsdienstoorlogen, de 80-jarige oorlog, of kun je beter zeggen dat de oorlog zich ook aan boord bevond? Onderweg zal immers blijken dat de oorlog zich met de mensen al lang over de wereld had verspreid.
De vloot
Het valt niet mee een begin te vinden bij zo’n groot avontuur. Begin je bij de tijdsgeest, de 80-jarige oorlog of bij de schepen? Er is voor alles wat te zeggen, dus ik heb gewoon gekozen voor de schepen. Het zijn stuk voor stuk juwelen die mij fascineren terwijl ik echt bang ben van varen. Maar op papier is het allemaal minder spannend, al voegde ik er deze week ook een stuk praktijk aan toe. Gaandeweg het lezen en bestuderen van deze vloot, ontdek ik dat een vloot een hiërarchie moet hebben. Natuurlijk, wie bepaalt anders welke koers gevaren wordt? Vier galjoenen, ook wel spiegelschepen of retourschepen genoemd, en een jacht – het moet een machtig gezicht zijn geweest. Het gaat van groot naar klein, van belangrijk naar minder belangrijk, van sturend naar volgend. Maar in deze volgorde zal gaandeweg door nood, honger, dorst, ziekte en wind steeds opnieuw veel veranderen. Op zee is in die tijd niets zeker, dat staat wel vast.

De Hoop, als admiraalsschip, was het grootste galjoen, 500 ton. Op de spiegel, de platte achterkant van het schip, een anker met een staande vrouw ernaast. Aan boord bevonden zich 130 mannen met Jacques de Mahu als admiraal. Dit schip nam ook een grote roeiboot met zich mee, een zogenaamde Pinas. Je wist soms immers niet hoe je met zo’n groot schip de kust moest bereiken.
Het Geloof was 109 mannen sterk, 320 ton zwaar en had Gerrit van Beuningen als vice-admiraal. Ook hier lag in het ruim een sloep in onderdelen die in januari 1600 in de straat van Magellaan zou worden opgezet en daar ook ten onder zou gaan. Dat volgt allemaal later, maar het is toch een bijzondere gedachte. Het Geloof was er het slechtst aan toe van alles schepen. De grote mast was vermolmd en zou onderweg op 9 januari 1599 gaan breken op weg naar die straat van Magellaan. Er zou een nieuwe mast gemaakt gaan worden, die viel wel wat korter uit maar dat soort details doen er niet toe als je voorkomt dat je vergaat in een oceaan. De Liefde sleepte trouwens in die tijd Het Geloof voort, tot het weer zelfstandig kon varen. an de liefde moet je het hebben, zo blijkt ook hier maar weer. Op de spiegel van Het Geloof stonden de tien geboden afgebeeld met een vrouw erbij. Benieuwd wat zij daar deed, daar zal ik nog eens wat speurwerk op verrichten, maar voor nu volsta ik met deze beschrijving.

De Liefde, (waar het mij allemaal om begon en waar dit ook mee zal eindigen omdat Liefde uiteindelijk nooit eindigt als deze echt is begonnen), was als schip geboren onder de naam ‘De Erasmus’. Dit was ook een vice-admiraalsschip, van 300 ton, met Simon de Cordes als vice-admiraal. Hier waren 110 mannen aan boord. Op de spiegel een beeld van Erasmus, als verwijzing naar zijn oorspronkelijke identiteit. Dit beeld zou later nog een heel eigen pad gaan volgen en is nog te bezichtigen in Tokyo.
En dan was er het galjoen De Trouw, 220 ton, geleid door Jeuriaen van Bockholt als kapitein met 86 koppen aan boord. Op de spiegel twee ineengeslagen handen. Elkaar vasthouden zou hard nodig blijken onderweg. Ook hier een sloep aan boord die onderweg in elkaar gezet zou worden in de buurt van Chili.
Tot slot, het jacht de Blijde Boodschap, als kleinste scheepje van 150 ton, met 56 mannen te voeden, had eerder gevaren onder de naam ‘Het Vliegend Hert’, maar in sommige stukken komt het voor als ‘Duyfken’ of ‘die Duyve’. Dirck Gerritz is de zeeman die het door de wateren moest voeren. Een man over wie niet allen veel te schrijven is, maar ook veel geschreven is. Hij wordt ook wel Dirk China genoemd. Drie keer raden waar hij eerder was. Een belangrijke ervaring in de vloot dus die zich ook zou bewijzen. Het jacht kwam van Rammekens, uit de buurt van Middelburg (daar schijnt trouwens een heel mooi Fort te liggen dat ik nog eens zal bezoeken). Op de spiegel had het net als De Liefde een verwijzing naar zijn eerdere identiteit: de afbeelding van een vliegend hert, zo’n enorme kever. Ik weet niet of ik daar aan zou willen denken tussen al het ongedierte aan boord, maar het had vast een goede betekenis die ik niet ken.

Boordgevoel in Lelystad
Vier galjoenen en een jacht dus. Om een gevoel te krijgen bij zo’n schip, bezoek ik deze week de Batavia in Lelystad. Wat een bijzondere werf ligt daarbij, gevuld met ambachten die geen ambachten zouden moeten heten, maar vaardigheden. Hoe dan ook, ik kan met een handige trap aan boord van het schip. Een bewegende trap met wieltjes aan de onderkant, die piepend heen en weer schuiven op de beweging van het water. Wel wat anders dan met een touwladder het schip in, zoals toen veelal gebeurd zal zijn met en zonder spullen. Ik voel me maar een houten Klaas terwijl ik me vasthoud aan de leuning van de stalen trap. Dat piepende geluid van die trap was er niet in 1598, maar het geluid van de wind langs mijn oren, het schip en het water wel. De trillingen van de vele ondoorgrondelijk aan elkaar geknoopte touwen en zeilen, verbonden met houten ‘knopen’ waarvan hopelijk iemand begreep waar welk touw in moest en waar het er weer uit moest en waarheen. De geur van hout, teer en touw, zal vermengd geweest zijn heel veel meer. Ik denk aan de geur van de levende dieren die mee gingen aan boord, kippen in manden, wat varkens op het dek en een enkele koe wellicht. Het kruit zal ook herkenbaar zijn geweest, zeker nabij de kruitkamer die zich wat dieper in het schip bevindt.

Ik kruip, want anders past het niet, van de trappen in steeds kleiner en lager wordende ruimte en begrijp hoe handig het geweest moet zijn, naast goedkoop, om kleine jongens mee te nemen. Beneden in de buik van het schip voel ik beklemming, hoe eng moet het zijn als dat schip wild heen en weer geslingerd wordt over de golven en het duurt veel trappen en bochten voordat je ooit op het dek kunt komen. Waar je trouwens niet beter af bent want daar vlieg je zo maar overboord. De reling was niet voor niets vrij hoog merk ik aan dek. Maar beneden in zo’n hangmatje wiebelen, hm, ik weet het niet. Velen sliepen op een soort strozak, of in hun kist waarin hun bagage zat, in ieder geval in iets kleins. Ik begrijp van een vrijwilliger (die heel graag alles wil vertellen wat hij weet en wat me goed uitkomt) dat de meeste mensen zittend sliepen, enerzijds omdat men dacht dat de ziel uit je lijf ging als je ging liggen, anderzijds omdat je dan je blik op de monsters uit de zee kon houden. Het lijkt mij een heel gedoe.

De kombuis, een hok vol potten en pannen, blijkt bijzonder klein. Het lijkt mij ook vrij benauwd en levensgevaarlijk als daar vuur aan moet. Best spannend met al dat kruit aan boord ook. De voorraadkast is indrukwekkend beperkt, voor zoveel mensen en moest ongetwijfeld bewaakt worden. Ik moet een aantal keren mijn rugzak afdoen om door de kleine ruimtes te kunnen kruipen die als opslag dienden voor de handelswaar en de wapens. Ik zie een gemak dat er beslist ongemakkelijk uit zag voor je behoeftes. Sodemieters, doe mij maar een portapotti. Overigens is het met onze privacy misschien wel minder slecht gesteld dan ik wel eens denk, als ik dit zie. Wat is dat eigenlijk privacy? Voor mij staat vast dat de mensen aan boord van zo’n schip geen eigen leven hadden. Alleen maar samen hoop op overleving.
Bovendeks kom ik bij de kapiteinskamer of officierenkamer en hier loop ik een andere wereld in, vol luxe aan boord. Deze ruimte is zomaar voorzien van stoelen en een tafel, met een prachtige wandkast en daarnaast maar liefst twee ruime gemakken met zeezicht. Lijkt al meer op een portapotti. Glas in lood was er ook ook voor de heren. De Batavia onderging overigens ook een noodlottige, nee, een dramatische, tocht en is weliswaar van iets latere datum (namelijk 1629) en ook veel groter dan De Liefde of het Geloof, maar toch, heb ik nu wat beeld, geluid en een heel klein beetje geur.
Met dit in het achterhoofd beleef ik hoe de vloot zich een weg baant door zeeën vol vragen en gevaren, die soms gevaarlijk blijken en soms een vergissing. Stukjes van mijn zoektocht zal ik hier delen, terwijl ik hier in mijn kamertje schrijf alsof ik aan boord zit. Eerst maar eens even wat varen.

Ontdek meer van Pamela Guldie
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.