Eind januari met dreigende sneeuw vertrokken we, mijn reismaatje en ik, naar de Zoute Eylanden. Het was heel lang geleden dat ik ergens heen ging waar ik zo weinig van wist. Normaal spreek ik de taal, weet ik wat er gegeten wordt, ik weet de weg te vinden en ook: ik weet wat ik ergens ga doen. Nu had ik natuurlijk het nodige gelezen, -onderzocht, zo je wilt- maar dat is niet hetzelfde. Was het ook zo voor de mannen op De Liefde? Dat zij uitvoeren met hun vloot op 27 juni 1598 en geen idee hadden? Geen voorstelling van hun bestemming, hun route, wat ze al dan niet zouden kunnen eten, hoe de wind zou voelen en ruiken, hoe warm of koud het zou zijn? Hoe hielden zij stand in alle onzekerheid die zoveel groter was dan de onze?

We stopten op Casablanca voor een paar uur en de eerste kleding moest echt weg, zoveel warmer. Zo fijn aan reizen dat je ineens ergens anders bent en ook heel iemand anders kan zijn. De geleidelijkheid die je met een schip ervaart, hadden wij niet. Het hoge tempo van deze tijd, ligt daarmee in alles besloten. De Liefde en de vloot deden er bijna drie maanden over om de kust van het grootste eiland van Kaapverdië te bereiken. De weersveranderingen gingen geleidelijk en vielen mogelijk in het niet tussen de contrasten van windstilte, storm en de al grote hoeveelheid zieken die er aan boord waren zo in het begin van de reis.
In een tijd waarin ook de medische zorg nog in een zo ander stadium was, moet angst ook een andere vorm gekend hebben. Kleiner, vanzelfsprekender mogelijk? Verplaatst richting een onbekende vijand, of was dat naderende schip toch van een bevriende natie? Was angst anders van vorm, als in boze zeegoden waardoor je misschien beter rechtopzittend kon slapen in plaats van liggend (sowieso lijkt mij slapen aan boord met zo weinig ruimte en zoveel mensen, dieren, spullen, beweging een grote opgave). In de nachten dat ik zelf wakker lig, denk ik aan de mannen aan boord van De Liefde. Slapen is in een bed is een luxe. Het minste wat je kunt doen is, je bewust zijn van die luxe.
Terug naar de kust van Praia, de hoofdstad van het grootste eiland van de Zoute Eylanden, Santiago. Het was niet waar De Liefde en de vloot als eerste aankwamen, maar beslist wel een plek waar sommige van de inwoners van de Eylanden nu nog van weten dat ‘dat de Liefde dat schip is van die vloot waarmee die Hollanders geprobeerd hebben de Cidade Velha aan te vallen’. Inderdaad. Waarom deden ze dat? Ging het echt om drinkwater, vers eten en verzorging van en voor de zieken? Maar als je vredelievend bent, waarom begin je dan met schieten en de kerken te vernielen, zei de toenmalige gouverneur:
‘…. tot des smiddaeghs dat den voorsz. jonghen in gheselschap van drie mannen te paerde ghesonden vanden Gouverneur quam eenen brief vanden selven aen den Generael brenghende, waer in hem zeer beklaeghde over de maniere van dese vriendtsche handelinghe, verklarende dat zy vrienden zijnde, daer ghenoeghsaem haren nootdruft met vriendtschap souden gekregen hebben, ende met minder moeyten, dat hy niet en geloofden dat zy Christenen waren, overmidts hun volck de kercke soo gerooft hadde…’ Uit: ‘ wijdtloopigh verhael van tgene de vijf schepen door de Straet Magellana wedervaren is’ , opgenomen in Dr. F.C. Wieder, De reis van Mahu en De Cordes door de straat van Magelhaes naar Zuid-Amerika en Japan enz, 1923.)
Een actueel vraagstuk, kijkend naar het nieuws van vandaag, nu er mogelijk een oorlog stopte die nooit had mogen beginnen (wat denk ik voor alle oorlogen geldt).

Met mijn reismaatje stond ik op de plek waar de eiland bewoners en de Portugezen stonden toen de vloot aankwam. We zagen de trappen naar boven die inderdaad smal waren, we zagen met eigen ogen de onmogelijkheid van het innemen van Praia, waar de vloot op het eerste eiland Maio al voor gewaarschuwd was. Waarom deden ze het toch? Wanhoop, dorst, overmoed?
Het vuureiland Fogo werd door de vloot overgeslagen als mogelijke optie, terwijl we de vruchtbare en rijk begroeide noordkant van het eiland bezochten. Later begreep ik van de professor die we konden interviewen, dat de noordkant veel te gevaarlijk is om aan te leggen. Maar natuurlijk. Toen wij er stonden, werden we bijna door de wind van de rotsen de zee in geblazen en ik hoor nog de golven slaan op de stenen en rotsen rondom de beschutte baai. Een geweld dat angst oproept en kalmeert tegelijk. Het kan.
In de beschutte baai op die plek reinigen Kaapverdianen hun voeten en gezicht als ze lang van het eiland geweest zijn. Ze geloven dat het de ziel reinigt. Als vanzelf trok ik schoenen en sokken uit, liep het water in en deed hetzelfde naast Kaapverdianen. Het kan nooit kwaad om te proberen je ziel wat extra te reinigen. Ook niet als je je best doet om goed te leven.

We reisden met een ferry, met als bijnaam de ‘vomitexpress’ (die overigens zijn naam voor velen eer aandeed), naar het verst gelegen eiland Brava (dat wild betekent). Hier werd door de vloot uiteindelijke drinkwater en eten gevonden maar werd ook een van de bemanningsleden begraven (de meesten gingen overboord). Brava voelde als het eind van de wereld. Je kunt er niet makkelijk komen, maar vooral zomaar niet weg. De boot komt twee keer per week, als hij al kan varen vanwege de wilde zee. Het vliegveld dat wel geprobeerd is om te bouwen, is gesloten wegens te gevaarlijk met de wind. We liepen daar op zoek naar waterbronnen, die we vonden, een mogelijk graf, waarvan we een waarschijnlijke locatie vonden, we waren daar te gast alsof we waren uitgenodigd door een bekende. Even laten weten bij een restaurant als je wilt komen eten, ’s avonds, dan zorgen ze dat de kip op tijd geslacht is. Was het onze kip die die laatste ijselijke gil slaakte, teruglopend naar onze overnachtingsplaats?

We raakten verzeild in een avond vol muziek à la Cesária Evora (aanrader: combi van Fado, Afrikaans en vleugje Antillen oud), zomaar op een kleine oude binnenplaats. We reden over het eiland met Carlos die met zijn kleine bus prima tegelijk kon bellen en sturen over steile en kleine bochtige weggetjes vol keien, hier en daar praatjes maakte met voorbijgangers en tijdens het rijden uitlegde: ‘wij moeten wel aardig zijn voor elkaar want ‘elkaar’ is alles wat we hebben’. De opgewonden energie rondom een aankomende ferry werd begrijpelijk. Zoals de professor op Fogo later nog duidelijk maakte: het is wat de Kaapverdianen kenmerkt misschien, Morabeza, meestal vertaald als gastvrij en vriendelijk. Maar hij omschreef het als volgt: wij Kaapverdianen hebben in de ene hand de ploeg om ons land te bewerken, maar in de andere hand de peddel omdat we altijd benieuwd zijn naar wat er overzees op ons afkomt. Met een nieuwsgierigheid zonder oordeel.
De peddel en ploeg. Zijn we die verloren in het Westen? De oprechte nieuwsgierigheid naar de ander omdat de Ander iets kan brengen? Halen lijkt de nieuwe modus, terwijl de bemanning van De Liefde ook precies dat aan het doen was: het halen van goederen van verder weg. Misschien zijn we niet helemaal gek geworden op deze planeet, maar zijn we dat altijd al geweest.

Ontdek meer van Pamela Guldie
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.