
Schrijven doe ik grotendeels niet achter mijn bureau, maar tijdens in het bos lopen, naar de zee kijken en heel veel stilstaan. Dat moet ook want mijn viervoeter staat vaak stil. Waar het me eerst vaak hinderde, is het tegenwoordig een rustpunt omdat ik gewoon maar kijk naar wat er te zien is, als hij iets meent te ruiken. Natuur vormt voor mij nu eenmaal met stip de beste bodem voor gedachtenordening omdat het steeds verandert en toch niet per definitie overstuur is. De kunst is om het ritme te vinden en daar kun je lang naar zoeken.
Ik vind het fijn, al die ochtenden, dat het pad de duinen in steeds anders is. Soms regen, rijp of zelfs wat sneeuw, meer of minder bladeren die zich ophopen of juist verspreiden. Het geeft elke dag een ander beeld. Af en toe is de zee al hoorbaar als we de voordeur samen verlaten, vaak vult het verkeer of de wind mijn oren. En dan in de duinen is er de koolmees die ineens gewisseld is van zomer- naar winterlied, of een hoeveelheid halsbandparkieten die er mogelijk altijd met zovelen zijn maar nu ineens opvallen door hun felle kleur en aanwezige lied, en hier en daar een merel die tussen de winterstilte ineens een zomerriedeltje laat horen. En toch is het stiller dan anders.
Vanmorgen constateerde ik dat het kleurarme seizoen bijna helemaal hier is. De meeste blaadjes zijn verdwenen al zie ik ze nog op de grond in juist verrassend veel kleuren. Alleen het thema is veel rustiger dan eerder. Soms hangt er nog een enkeling bleekjes aan een boom te twijfelen wanneer hij los gaat laten. De felste kleuren zijn samen met veel uren zonlicht verdwenen en de aarde dekt toe wat er weer zal komen. Ik loop er overheen zonder dat ik erin zak vanmorgen. Terug in de wijk is er overal extra licht om weg te nemen wat de winter aan ruimte voor herstel en bezinning brengt.
Hier in huis zijn net als bij anderen veel lampjes, kaarsen ook. Meestal komen er gedurende het jaar een of meer nieuwe kaarsen bij. De ergste zijn die waar je niet op bedacht was. Daar koop ik een extra mooie voor die bij voorkeur heel lang brandt alsof ik anders zou vergeten wat er mist. Er zijn ook ‘bijna-kaarsen’ om van bij te komen. Die hoeven net niet aangestoken, maar uiteindelijk weet je nooit hoe lang dat duurt voordat je dat toch zult doen. Van sommige kaarsen weet ik dat ze in andere huizen ook staan, dichterbij zelfs en dan branden ze nog feller. Maar andere kaarsen staan meer verborgen of zijn gewoonweg onbekend bij anderen.
In deze maand wordt voelbaar wat je andere maanden soms weg kunt duwen en kunt proberen te ontkennen. Het is fijn als je daar taal aan kunt geven, het kunt verwoorden voor verwerking of troost. Toch, om te schrijven heb ik stilte nodig en die komt vooral van binnen. En daarom volgt hier vandaag een gedicht van iemand anders. Iemand die recht mijn hart in heeft verwoord hoe het is: Ierse dichter John O’Donohue (1956-2008). Ik kan me niet indenken dat het beter kan, troostender, of met meer compassie. Ik kreeg dit dierbaar en op een goed moment aangereikt uit Ierland en ik gun het iedereen voor hun kaarsen.
Beannacht (Blessing)
For Josie, my mother
On the day when
the weight deadens
on your shoulders
and you stumble,
may the clay dance
to balance you.
And when your eyes
freeze behind
the grey window
and the ghost of loss
gets into you,
may a flock of colours,
indigo, red, green
and azure blue,
come to awaken in you
a meadow of delight.
When the canvas frays
in the currach of thought
and a stain of ocean
blackens beneath you,
may there come across the waters
a path of yellow moonlight
to bring you safely home.
May the nourishment of the earth be yours,
may the clarity of light be yours,
may the fluency of the ocean be yours,
may the protection of the ancestors be yours.
And so may a slow
wind work these words
of love around you,
an invisible cloak
to mind your life.
John O’Donohue (Echoes of memory)

Ontdek meer van Pamela Guldie
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.