
Praia. Zoals ik in de vorige blog beschreef keek ik in februari naar de zee vanuit zowel de nieuwe als de oude stad. Ik stelde me voor hoe in september 1598 de vloot met De Hoop, Het Geloof, De Trouw, De Blijde Boodschap en vanzelfsprekend De Liefde, ‘op de rede’ lagen, wachtend om aan land te gaan, om hun zieken te verzorgen, vers drinkwater en voedsel in te slaan. De vloot werd opgewacht, want was uitstekend zichtbaar vanuit de oude stad, heb ik nu zelf kunnen zien.
Nu ligt de Hondius er, met naar alle waarschijnlijkheid het Hantavirus als veroorzaker van bitter veel leed. Het ligt daar op de rede, wachtend tot de zieken verzorgd kunnen worden. In vertwijfeling of er meer mensen ziek gaan worden, vreselijk en beslist onvoorstelbaar. Laat daarover geen misverstand bestaan.
Japan 2020: Diamond Princess
Toch zijn de parallellen met kortere termijn en langere termijn geschiedenis interessant. In februari 2020 lag de Diamond Princess voor de kust van Japan met het toen nog nieuwe Corona-virus (zo je wilt, Covid-19) aan boord. Het mocht de havens van Japan niet in. Ik weet het nog zo goed omdat ik zelf in Japan was op dat moment voor een congres. De impact was enorm, alhoewel de ziektegevallen toen nog succesvol geïsoleerd bleven aan boord. Het was uiteraard het begin van wat later de Coronacrisis zou worden, maar de maatregelen en gevolgen waren daar direct bijzonder groot. De mondkapjes en ontsmettingsgel waren uitverkocht, binnen een paar dagen tijd gingen in Japan musea op slot, werd het congres afgelast en ben ik met mijn schrijfmaatje huiswaarts gekeerd na een weekendje Osaka, te bizar voor woorden. Men vond het toen om ons heen wel een overhaaste beslissing, weet ik nog. Ik wist toen natuurlijk ook niet hoe het verder zou gaan, maar ik wist wel hoe Japan om zou gaan met isolatie en ik wilde voorkomen dat wij er ofwel onderwerp, ofwel lijdend voorwerp van zouden worden. De niet denkbeeldige kans op een ziektegeval in ons hostel, leek mij een bepaald niet aantrekkelijk vooruitzicht.
De Liefde voor de kust van Praia
Veel langer geleden dus op nagenoeg dezelfde plaats waar nu de Hondius ligt, lag de voor VOC varende Nederlandse vloot dus voor de kust van Praia. Na een paar maanden varen leed de bemanning al aan ziektes als scheurbuik (tekort aan vitamine C), beriberi (tekort aan vitamine B), hete koortsen, malaria en ziektes als dysenterie. Ongetwijfeld omdat de mannen niet allemaal in staat was geweest om aan land, thuis, aan te sterken voor er opnieuw een lange reis begon. Daarnaast ook omdat er gewoonweg te weinig gezonde voeding en drank aan boord was, los van de omstandigheden.
Een schip is een maatschappelijk samenzijn als het langer vaart dan een paar dagen. Aan boord van zo’n vloot rond 1598 stel ik me voor dat de eerste weken de verhoudingen zich nog moesten vormen. Als die contouren eenmaal stonden, al dan niet afgedwongen door geweld, rechtspraak door de scheepsraad, of ongeziene eigenrichting, dan was er in ieder geval een basis. Gelet op het grote aantal zieken en daarmee samenhangende overlijdens aan boord, werd deze rangorde mogelijk steeds opnieuw bepaald en dus kwetsbaar. Een echte samenleving dus.
Hygiënietes
Alleen was hygiëne een niet bestaand gegeven: de mannen benedendeks sliepen in hun kleding doorgaans in kisten, waar uitwerpselen, braaksel, soms bloed, zeewater, en alles wat verder aan boord was vermengd met elkaar voorbijkwam. Het isoleren van zieken was daarmee een illusie en de omstandigheden aan boord behoorlijk dramatisch. In ieder geval ‘voor de mast’, waar het armere volk zat. Achter de mast was het net zo goed moeizaam, maar waren de omstandigheden qua voeding en ruimte in ieder geval iets beter. Doden moesten, hoe verdrietig ook, zo snel mogelijk overboord, ongeacht de rang. Aan land begraven worden was niet aan velen gegund. Het feit dat Jan Eldrix, de barbier van De Hoop, op Brava begraven ligt, was daarom juist bijzonder. Jan kreeg een graf aan land. Niet omdat hij zo belangrijk was, alhoewel een barbier geen matroos was natuurlijk, maar omdat hij op het goede moment doodging, voor de kust van Brava namelijk. In februari ging ik ernaar op zoek en vond samen met mijn onderzoeksmaatje een zeer waarschijnlijke locatie. Een landgraf was het hoogst haalbare voor een zeeman en voor deze plek zou ik zelf ook tekenen. De ruisende zee met golven die kapotslaan op de kust, om daarna over de keitjes rammelend terug te krabbelen en weer een nieuwe golf te worden. Wat wind erbij, hier en daar een roepende vogel en verder helemaal niets. Als dat geen mooie ‘circle of life’ is weet ik het ook niet meer.

Maar goed, de hogergeplaatsten aan boord, ‘achter de mast’, hadden weliswaar betere voeding en omstandigheden maar werden niet gespaard van ziekte noch dood. Ook zij gingen direct na hun overlijden de volgende dag overboord, verzwaard met hun bulkzak (zeg maar hun matras) of stenen. Het verzwaren van het lichaam was buitengewoon belangrijk omdat het scheiden van lichaam en ziel zou kunnen leiden tot het dolen van de ziel, daar wil je niet aan denken. Daarbij was men ook bang dat het lichaam in de handen van katholieken kon vallen, stel je voor!
De stervende admiraal
Toch was ook in 1598 het klimaat op het ene schip niet gelijk aan het andere, zelfs niet binnen één vloot waar men toch regelmatig bij elkaar aan boord kwam. Het admiraalsschip van de vloot waar De Liefde onderdeel van uitmaakte, De Hoop dus, werd met name geplaagd door scheurbuik en andere ziekten. Op dit schip waren ter hoogte van de Zoute Eylanden (Kaapverdië) al 60 zieken. De andere schepen hadden er beduidend minder. Dat niemand gespaard werd, blijkt uit overlijden van de kapitein van De Hoop en de bevelhebber van de vloot, Jacques Mahu. Hij overleed in de nacht van 23 op 24 september 1598 aan de ‘hete koortsen’ op vermoedelijk 34-jarige leeftijd:
Des morghens den 25. Septembris, het droeve teecken op den 25 Sept. Admirael ghesien hebbende, zijnde schepen dicht by denanderen ghekomen, ende de Capiteynen met alle de Schippers zijn den Admirael aen boordt ghevaren, om haren Generael de behoorlijcke ende leste eere aen te doen, alwaerhet doode lichaem in een kiste half vol steenen gheleijt zijnde (om dies te beter te sineken) met een roukleet overdeckt, ende vande Capiteynen van ’tachterschip tot voor de Mast ghedraghen, ende voort vande Schippers int roode sant over boordt gheset. (Uit: ‘wijdtloopigh verhael van tgene de vijf schepen..’ enz opgenomen in Dr. F.C. Wieder, de reis van Mahu en De Cordes door de straat van Magelhaes naar zuid Amerika en Japan, blz. 165).

Tijdens het zakken van de kist over stuurboord verbijten de zeemannen hun tranen zonder succes. Jacques Mahu was geliefd voor en achter de mast, als beleefde en milde goede bestuurder. De kracht van de kanonskogels geeft met knallen vuur aan deze emoties. De trommels rammelen terwijl de kist vanaf stuurboord met een plank aan zee wordt gegeven. Als de kist de golven raakt, kijken de mannen elkaar aan, vice admiraal De Cordes knikt en kijkt weg. De trompetten roepen de kist nog lang en klaaglijk na.
Veel is anders nu. Maar rouw is niet anders. Het is vandaag bevrijdingsdag, maar nog niet iedereen is bevrijd. Voor hen hoor ik ook nu nog de trommels en trompetten van toen en ik hoop op hun snelle bevrijding.

Ontdek meer van Pamela Guldie
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.